Jodocus BÜCK  ‎(I5827)‎
Voorna(a)m(en): Jodocus
Achternaam: BÜCK

Geslacht: ManMan
      

Geboorte: Bronkhorst, Bronckhorst, Gelderland, Nederland
Overleden: voor 28 maart 1703
Persoonlijke feiten en details
Geboorte Bronkhorst, Bronckhorst, Gelderland, Nederland
Breedtegraad: N52.0833 Lengtegraad: E6.1833
Adres:
Bronkhorst
Nederland

Beroep notarisklerk
Beroep jurist


Gedeelde Notitie: - auditeur-militair
Huwelijk Anna Elisabeth COPES - ongeveer 1665
Overleden voor 28 maart 1703
Laatste wijziging 12 januari 2018 - 12:20:32
Bekijk details betreffende ...

Ouders familie  (F2802)
Bernt BÜCK
1590 - 1690
Amalia HOOFT
1600 - 1700
Jodocus BÜCK
- 1703

Directe familie  (F0680)
Anna Elisabeth COPES
1645 - 1727
Wilhelmina BÜCK
1676 - 1762
Trijntje BÜCK
1654 -
Elske BÜCK
1657 -


Notities

Gedeelde Notitie
1
De belegering van Groenlo in 1672
De bisschoppen van Munster begonnen al in de 12de eeuw met het streven naar vestiging van hun
wereldlijke macht in de gebieden waarover zij de geestelijke jurisdictie1 bezaten. De heerlijkheid
Borculo behoorde tot die gebieden. De heer van Borculo had Groenlo al in 1236 aan de graaf van
Zutphen verkocht. Wanneer in 1553 de heer van Borculo Joost van Bronkhorst kinderloos overlijdt
trekt de bisschop van Munster de heerlijkheid aan zich en na het overlijden van de weduwe van Joost
van Bronkhorst, Maria van Hoya, stelt de bisschop van Munster zich in het bezit van de heerlijkheid
Borculo. De achterkleinzoon van Maria van Hoya, Joost van Limburg Styrum, doet via verschillende
gerechtelijke procedures pogingen om de heerlijkheid Borculo in bezit te krijgen. Uiteindelijk
veroordeelt het Hof van Gelre in 1615 bij verstek de bisschop om Joost van Styrum in het bezit van
huis en heerlijkheid Borculo te stellen. De bisschop ontruimde de heerlijkheid echter niet. Aan de
Borculose kwestie kwam tenslotte door gewelddadig ingrijpen voorlopig een einde. Lichtenvoorde
werd op 10 januari 1616 door troepen van de Staten van Gelder ingenomen en op 25 februari volgde
Borculo. Zo werd Joost van Limburg Styrum met geweld in het bezit van de heerlijkheid gesteld. De
bisschop van Munster handhaafde echter zijn aanspraken op de heerlijkheid Borculo.
In 1665 valt de vorst-bisschop Bernard van Galen, de Gelderse Achterhoek binnen. Groenlo, dat na
1648 nog met een aanzienlijk garnizoen versterkt was, viel niet in Munsterse handen. Op 18 april 1666
sloot de bisschop vrede met de Republiek en kort daarna verlieten de laatste Munsterse troepen de
Gelderse Achterhoek en Twente. De Munsterse en Franse troepen, beide onvoldoende verzorgd, waren
een grote overlast geweest voor de bevolking van het Achterhoekse platteland.
In 1672 volgde een nieuwe inval van Van Galen in de Gelderse Achterhoek, nu als bondgenoot van de
Franse koning Lodewijk XIV. Eind mei 1672 verklaarde de bisschop de oorlog aan de Republiek, om
nogmaals te proberen zijn aanspraken op de heerlijkheid Borculo te verwerkelijken.
Op 1 juni 1672 zette de bisschop van Munster zich met zijn troepen in beweging. Hij brak zijn in de
buurt van Nordhorn in de Graafschap Bentheim gelegen kampement op de Brandlichter-Heide op en
marcheerde richting Grol. Dat werd nog op dezelfde dag door zijn ruiters berend. Hij stuurde enkele
andere troepen ruiters naar Twente die de open en onsterke plaatsen Oldenzaal, Ootmarsum,
Enschede, Almelo, Delden, Goor en de stad en heerlijkheid Borculo innamen.
Ze waren bij hun aankomst voor Grol en bij alle andere plaatsen onaangename gasten vanwege hun
onmogelijke aanwezigheid en overlast, die meer bij Barbaren dan bij Christenen paste.
De troepen van de bisschop beschikten over zeer zware moderne artillerie, die bestond uit 60
mortieren en verscheidene zware houwitsers. Deze artillerie was het sterkste en meest gevreesde
wapen van de bisschop, waarmee hij aanvankelijk grote successen behaalde en die hem de bijnaam
"Bommen Berend" bezorgde.
De stad Grol was nog steeds omgeven door een ca. 6 meter hoge aarden wal met daarin zes bolwerken
die de gehele stad, behalve de kerk en het stadhoudershuis met hun hoogte bedekten. Daarentegen
waren de borstweringen onder aan de wal voor de gracht niet geschikt om een naderende vijand te
beschieten en de contrescarp te beschermen. Daarnaast had de vesting geen gebrek, was voorzien van
een diepe gracht die door de Slinge steeds van water werd voorzien, alsook van zes ravelijnen, zes
halve manen en drie poorten namelijk de Lievelder-, Beltemer- en Nieuwepoort. Op de wallen stonden
22 stukken geschut op nieuwe afuiten. Buitenom de vesting lag een hoog en droog graanland.
Het magazijn was van alles zo overvloedig voorzien, dat de bisschop nadien wel 40 wagens met
munitie en vele andere wagens met olie, zout, boter, kaas, stokvis enz. o.a. naar Coevorden liet
brengen. De hoeveelheid aanwezige turf was zo overvloedig dat, omdat het turfhuis te klein was, een
deel van de kerk moest worden benut om die turf op te slaan.
Het garnizoen was te zwak en bestond alleen uit 10 compagnieën ruiters die meestal nieuw en niet
compleet waren. Dat waren in zijn geheel niet meer dan 600 man. Bovendien waren de burgers bijna
allemaal katholiek en tot veranderng geneigd. Ze weigerden ook om tegen de vijand de wapens op te
nemen.
Op 1 juni werd de stad dus door enkele bischoppelijke ruiters berend die zich van Hupsel tot bij
Lievelde hadden verspreid en steeds met nieuwe troepen versterkt werden. Zij plaatsten hun vanen en
1 Onder de jurisdictie in geestelijke zaken wordt verstaan de bevoegdheid tot het geven van de machtiging tot het preken en de toediening
van Sacramenten.
2
standaards in het zicht van de stad. De 2de juni bezetten ze alle toegangswegen met sterke
wachtposten in het bijzonder aan de lager gelegen weg bij het pesthuis.
De 3de juni gebeurde er niets gedenkwaardigs dan dat de vijand zich steeds verder versterkte en de
stad naderde, wat de stadscommandant Georg Frenck met voortdurend schieten trachtte te
verhinderen.
De 4de juni trachtte hij eveneens met zijn geschut niet alleen het opwerpen van een batterij te
verhinderen maar liet ook door een uitval onder kapitein Stockum en de luitenant Kock de vijand uit
genoemde lage weg verdrijven, alle bomen en struiken omhakken, de stadsherberg die te dicht bij de
stad lag afbreken en het pesthuis afbranden.2
Door het afbreken van de sluis van de watermolen tapte de vijand in de daarop volgende nacht het
water uit de molenkolk niet alleen af zoveel hem mogelijk was, maar trachtte ook verschillende keren
tegelijk de dichter bij de stad gelegen sluizen te vernielen om daardoor het water uit de gracht naar de
molenkolk af te kunnen tappen. Doch dat laatste werd hem door het sterk schieten met musketten,
telkens met verlies van enkele soldaten, onmogelijk gemaakt.
De 5de juni kwam ’s morgens, naast een ingenieur, enige mineurs en drie konstabels, de oversteluitenant
Tongel in de stad met de opdracht van de gedeputeerden te velde om het commando van
Georg Frenck over te nemen. Frenck had destijds al 24 jaar ‎(dus vanaf de Vrede van Munster in 1648)‎
het commando over de stad gevoerd deels bij afwezigheid van de Graaf van Styrum, deels ook na
diens aftreden. De nieuwe commandant Tongel, die geen bijzondere kennis had van de situatie van de
stad, eiste de stadssleutel en begon zijn commando.
De 6de juni deed zich niets bijzonders voor, alleen dat men vanuit de stad zo sterk met het geschut op
de vijand schoot, als met het geschut maar mogelijk was.
De 7de juni maakte de vijand de molenkolk geheel droog en stelde daarin een batterij op voor zeven
mortieren waarmee hij de 8ste juni de stad met veel vuurwerk, bommen en granaten beangstigde en
brand in enige huizen veroorzaakte maar geen of maar weinig mensen gewond raakten.
Intussen approcheerde hij van deze batterij recht naar de Beltemerpoort toe tot aan de contrescarp, wat
die van de stad weinig konden voorkomen omdat ze op dat moment bezig waren de batterijen te
verdiepen die te hoog waren waardoor ze het geschut van de borstwering terug moesten plaatsen en
omdat de faussebrayen te laag waren.
De 9de juni wierp de vijand nog een batterij op, ongeveer bij de beek op een lager gelegen plaats en
achter enige bomen. Van daaruit beschoot hij de stad heftig wat uit de stad weer werd beantwoord.
Door een kanonskogel vanuit de stad werd het ijzeren beslag van het wiel van een met bommen
beladen wagen van de vijand getroffen. Niet alleen deze bommen, maar ook nog ander vuurwerk en
enige tonnen kruit die in de buurt van deze wagen bij de betreffende batterij in een diepte verborgen
lagen gingen de lucht in. Ook raakten 16 tot 17 mensen gewond, waaronder een van de voornaamste
vuurwerkmakers. De explosie had een zo grote kracht dat de vijand aan de andere kant van de stad
zich zeer verheugde, denkende dat het kruithuis in de stad in de lucht was gevlogen.
Na een hevig bombardement, waarbij tweederde van het stadje in vlammen opging, kwam na de
middag een overste-luitenant gekleed als tamboer naar voren en eiste de stad op. Hij droeg een mand
met eieren aan zijn arm met de belachelijke bedreiging dat men de soldaten zou verpletteren zoals men
met die eieren zou kunnen doen.
De luitenant-kolonel Tongel zei tegen deze quasi tamboer, dat hij over twee uren antwoord kon komen
halen. Intussen liet Tongel de krijgsraad bijeen roepen aan wie hij de boodschap van de tamboer
bekend maakte en wilde van ieder afzonderlijk vernemen wat men zou moeten doen.
Eensgezind was men van mening dat men tweemal 24 uur uitstel en stilstand van wapens moest
verzoeken om inmiddels zijne hoogheid de Prins van Oranje ‎(stadhouder Willem III)‎ daarvan op de
hoogte te stellen. En dat daarna een officier als gijzelaar naar buiten zou komen en een van de vijand
daartegenover in de stad zou komen, wat ook geschiedde. Onderwijl was het op lijfstraf verboden een
schot op de vijand te lossen die nochtans gedurende de gehele stilstand van wapens tot aan de gracht
approcheerde. Nadat de officier van de vijand met de luitenant-kolonel Tongel en de burgemeester
Weck, zijnde van ’s lands wege majoor van de stad, een tijd lang gesproken had verliet hij de stad
weer. Vervolgens kwamen bijna alle kapiteins tijdens de stilstand van wapens bijeen om te besluiten
2 Dat pesthuis had gouverneur Matthijs van Dulcken tijdens het Twaalfjarig Bestand voor 100 gulden op een eiland in Het Pand laten
bouwen.
3
wie men naar de vijand zou sturen. Daartoe werden kapitein J. Buck en Everhard Dirk van Keppel
benoemd, die tegen de avond samen met burgemeester Weck, Dr. Jan Hendrik Schutten en Everwijn
Holtberent uit de burgerij, met een bootje over de gracht naar de vijand voeren. Daarbij was de gehele
militie samen met Tongel aanwezig, die hen een goeden avond wensten, met aanbeveling een goed
accoord te sluiten.
Op 9 juni 1672 capituleerde Groenlo, mede op aandrang van de katholieke inwoners.
Het volgende capitulatieverdrag werd gesloten:
Die Stad Groll geeft zich aan zijne Keurvorstelijke Doorluchtigheid tot Keulen en Vorstelijke Genade
tot Munster over op de volgende condities:
1. Zullen de burgers en inwoners vrijheid van de beoefening van hun godsdienst behouden en zullen
de katholieken en de gereformeerden zich wat het gebruik van de kerk betreft in der minne tot een
vergelijk komen.
2. Zullen alle burgers, inwoners en vluchtelingen gevrijwaard zijn van alle plunderingen zowel van
hun persoon als van hun goederen, zowel degene die zich in de kerk als ook daarbuiten zullen
bevinden.
3. Zal het de burgers en inwoners als ook de predikanten ten alle tijden vrij staan zich met hun
vrouwen, kinderen en goederen naar andere plaatsen te begeven en hun onroerende goederen naar
welgevallen te verkopen.
4. Zullen de burgemeesters en hun vrouwen en kinderen, die van plan zijn uit de stad te vertrekken,
wagens en paarden beschikbaar worden gesteld voor hun bagage en convooi voor de vrije
overtocht naar Doesburg of Zutphen worden verleend en zal het hen vrij staan hun onroerende
goederen naar hun believen te verkopen.
5. Zal de stad al haar domeinen behouden.
6. Zal het garnizoen morgen voor de middag tegen 10 uur met hun vaandels, boven- en ondergeweer
en alles wat hen toebehoort uit de stad vertrekken en zal het de officieren zowel als de soldaten vrij
staan de dienst van de Heren Staten Generaal te verlaten en in een andere dienst te treden of naar
hun gelegenheid naar huis te vertrekken. Ze mogen echter niets meenemen wat de bovengemelde
Staten Generaal toebehoort, maar alleen met het hunne onder begeleiding naar Doesburg of
Zutphen gaan en zal morgen met het aanbreken van de dag het bolwerk, waar de windmolen op
staat, de belegeraars worden ingeruimd die het met 200 muskettiers zullen bezetten.
Aldus gedaan in het leger voor Grol, de 9de juni 1672.
Van de gecommiteerden van de stad bleven er twee, namelijk kapitein Buck en burgermeester Wecke,
in het leger van de vijand, om hun troepen naar de stad te begeleiden. De andere drie gecommitteerden
kwamen de 10de juni ‘s morgens zeer vroeg met de ondertekende caputilatie-akte weer in de stad bij
de commandant Tongel die geensins accoord wilde gaan met wat zij overeen waren gekomen. De
burgers bekommerden zich erover hoe ze de stadssleutels uit handen van de commandant konden
krijgen om voortvloeiend uit de capitulatie die aan de vijand te kunnen overhandigen, om verder
onheil te voorkomen. Daarop besloten ze de commandant aan te vallen en hem de sleutels met geweld
af te nemen. Tongel vluchtte met de sleutels naar de wal, maar werd door de burgers achtervolgd. Daar
moest hij hen de sleutels wel overhandigen, die daarmee haastig de wal afliepen en de poorten voor de
vijand openden. Het vijandelijk volk stond daar buiten ongeduldig te wachten en vloekte dat de
poorten niet eerder werden geopend.
Zodra het volk de stad in kwam bezetten ze terstond de wallen en poorten en lieten de adjudant
generaal het Staatse garnizoen verzamelen, opdat ze tegen 10 uur voor de middag naar buiten zouden
trekken.
Zij werden daar in slagorde tot zonsondergang staande gehouden onder het voorwendsel dat zij het
gehele garnizoen wilde visiteren of er ook overlopers onder waren en namen met geweld diegenen
weg die hen aanstonden. De hele militie voelde zich bedrogen. Op grond van artikel 4 van de
capitulatie-overeenkomst meenden zij dat voor het vervoer van hun goederen zoveel wagens als nodig
waren zouden worden verschaft, terwijl er slechts drie waren. Daarmee bediende zich burgemeester
Wecke, wat tot gevolg had dat de militie bijna al hun bagage moest achterlaten.
Op 22 april 1674 sloot Bernard van Galen te Keulen vrede met de Republiek en moest daarbij al zijn
veroveringen opgeven. Hiertoe behoorde ook de heerlijkheid Borculo-Lichtenvoorde.
Groenlo kreeg weer een Staatse bezetting.

Beroep auditeur-militair


Bekijk notities betreffende ...


Bronnen

Bron
Notarieel archief

Bron
Nedergerechten

Toon details Gedeelde Notitie: - 1454 Jodocus Buck contra Gerrit Noël
Datering:
1689
Eiser:
Jodocus Buck
Gedaagde:
Gerrit Noël
Bekijk archieftoegang:
ORA Stad Doesburg
Vindplaats:
Gelders Archief


Bron
Nedergerechten

Toon details Gedeelde Notitie: - 0145 ORA Stad Doesburg

2. Inventaris
2.2. Stukken betreffende de contentieuse rechtspraak
2.2.3. Civiele zaken
Civiele Appelzaken, 1556-1796. ‎(Zie bijlage IV)‎
c.1556, 1632-1724
Procesdossier 1454 Jodocus Buck contra Gerrit Noël
Datering:
1689
Eiser:
Jodocus Buck
Gedaagde:
Gerrit Noël


Bekijk bronnen betreffende ...


Multimedia
Geen multimedia-objecten voor deze persoon.
Bekijk media betreffende ...


Gezin met ouders
Vader
Bernt BÜCK ‎(I5828)‎
Geboorte ongeveer 1590 Lichtenvoorde, Oostgelre, Gelderland, Nederland
Overleden voor 1690 ‎(Leeftijd 100)‎
10 jaren
Moeder
 
Amalia HOOFT ‎(I5829)‎
Geboorte ongeveer 1600 Arnhem, Arnhem, Gelderland, Nederland
Overleden voor 1700 ‎(Leeftijd 100)‎
#1
Jodocus BÜCK ‎(I5827)‎
Geboorte Bronkhorst, Bronckhorst, Gelderland, Nederland
Overleden voor 28 maart 1703
Gezin met Anna Elisabeth COPES
Jodocus BÜCK ‎(I5827)‎
Geboorte Bronkhorst, Bronckhorst, Gelderland, Nederland
Overleden voor 28 maart 1703
Partner
Anna Elisabeth COPES ‎(I5826)‎
Doop 29 oktober 1645 Düsseldorf, Noordrijn-Westfalen, Duitsland
Begrafenis 24 september 1727 ‎(Leeftijd 81)‎ Duisburg, Nordrhein-Westfalen, Duitsland

Huwelijk: ongeveer 1665
12 jaren
#1
Dochter
Wilhelmina BÜCK ‎(I1784)‎
Geboorte 22 september 1676 30 Duisburg, Nordrhein-Westfalen, Duitsland
Overleden 5 januari 1762 ‎(Leeftijd 85)‎ Tjallebert, Heerenveen, Friesland, Nederland
-22 jaren
#2
Dochter
Trijntje BÜCK ‎(I37897)‎
Doop 1 oktober 1654 Winterswijk, , GE, Nederland
Overleden Ja
3 jaren
#3
Dochter
Elske BÜCK ‎(I37898)‎
Doop 17 augustus 1657 Winterswijk, , GE, Nederland
Overleden Ja