Marten Martens Schoolopziener

Gramps ID S0197

Verhaal

Bron: Schoolkrant LES

Schoolopziener Marten Martens

Sibrand Martens

Een van de eerste schoolopzieners in Nederland was Marten Martens (1773-1852). Hij trad aan in een tijd dat de onderwijsinspectie nog in de kinderschoenen stond. Die speelde een zeer belangrijke (leidende) rol in het onderwijsbeleid van de eerste helft van de negentiende eeuw. Al in de eerste nationale onderwijswet (1801) was het land opgedeeld in diverse departementen die op hun beurt weer in schooldistricten verdeeld waren. De districten kregen elk hun eigen schoolopziener die tot hoofdtaak had scholen te inspecteren op de naleving van de nieuwe onderwijswet. De vervangende wet van 1806 bevatte zelfs een uitgebreide instructie voor schoolopzieners, waaraan Martens, die in 1806 als districtsschoolopziener begon, zich moest houden. Hij had het toezicht op de scholen in het zevende district van het departement van de Eems, later zou dit het derde district van de provincie Friesland worden. Maar wie was deze Martens en wat heeft hij voor het onderwijs betekend?

Doopsgezind predikant
Marten Martens was geboren in Amsterdam en opgegroeid in achtereenvolgens Amsterdam, Hallum, Graft en Friedrichstadt. Zijn vader Siebrand Martens was in deze plaatsen doopsgezind predikant. Marten studeerde van 1791 tot 1798 aan het Doopsgezind Seminarium te Amsterdam. Na zijn proponentsexamen aanvaardde hij het 'beroep' van de gecombineerde gemeenten Holwerd, Blija en Vischbuurt in het noordoosten van Friesland. Al snel na zijn komst sloot hij zich aan bij de Maatschappij tot Nut van 't Algemeen. Daarmee deelde hij zijn belangstelling voor het onderwijs aan 'min-geoefenden'. Martens heeft aan het nieuwe leren, dat 't Nut propageerde en dat gericht was op de emancipatie van de volksklasse, een grote bijdrage geleverd.
De eerste jaren van zijn predikantschap gebruikte Martens om zich in zijn gemeente in te werken. Januari 1800 trad hij in het huwelijk met Amelia Brouwer, de dochter van Petrus Brouwer, zijn Hervormde collega in Blija en Hogebeintum. Deze droeg zijn pas verworven schoolopzienerschap in 1806 over aan zijn schoonzoon. Misschien voelde Brouwer zich reeds te oud om deze zware taak op zich te nemen of schrok hij terug voor alle nieuwe taken die de onderwijswet van 1806 op de schouders van schoolopzieners legde. Bovendien kon het jonge gezin van Martens wel een extra inkomen gebruiken. Martens zou deze functie zijn verdere arbeidzame leven vervullen. Hij had het toezicht op de scholen in het gebied van Dokkum, Oost- en Westdongeradeel, Ferwerderadeel, Dantumadeel, Kollummerland, Schiermonnikoog en Ameland. Als districtsschoolopziener was hij ook lid van de departementale- later provinciale onderwijscommissie. Na verloop van tijd zou hij daarvan voorzitter worden.

Schoolopziener
Het eerste wat Martens als schoolopziener deed was de onderwijzers in alle grietenijen , uit zijn district in gezelschappen samen te brengen. Dat behoorde tot zijn taak. Het vierde artikel van de instructie bij de schoolwet van 1806 luidde: 'Inzonderheid zal hij er zich op toeleggen, om door onderrichting en aanmoediging den ijver der Onderwijzers op te wekken en gaande te houden, en hen te dien einde in meerder of minder aantal, op vastgestelde tijden, hetzij in zijne woonplaats, hetzij in andere gedeelten van zijn District zooveel mogelijk, bij herhaling om zich heen te verzamelen, zich met hen onderhoudende over de bedoelingen en werkzaamheden van hunnen gewichtigen post, en over de voorgeschreven en beste wijze om denzelven getrouw en ten meesten nutte der Jeugd waar te nemen.' Martens stond wat dit betreft voor een immense opdracht, want zijn gebied was uitgestrekt. Dat betekende dat hij op zaterdag, de dag voordat hij op twee verschillende plaatsen moest preken, meestal een grote afstand had af te leggen om deze bijeenkomsten te leiden. Hij nam zijn taak om bij onderwijzers de kennis van hun vak te verdiepen met verve op. Hij besprak lees- en rekenboeken en de didactiek van deze vakken en zag er op toe dat onderwijzers het besprokene op scholen ook toepasten. Daarvoor moest hij zich echter eerst zelf verdiepen in de lesstof en de toen beschikbare onderwijsleermiddelen. Dit was lastig omdat in zijn tijd het onderwijs nog niet goed georganiseerd was en onderwijzers niet veel meer waren dan oppassers die kinderen zoet hielden met het zingen van psalmen en het opdreunen van het abc en gebeden. Bovendien was het klassikaal onderwijs, dat een andere didactiek vergde, nu verplicht, evenals het schoolbord en de verdeling van de school in niveauklassen. Martens beijverde zich deze nieuwe didactiek en bijbehorende leermiddelen bij onderwijzers te bevorderen. Hij stimuleerde het gebruik van het schoolbord en een verdeling van de school, vaak in één ruimte ondergebracht, in niveauklassen en in rijen van banken. Een praktisch probleem was dat schoolgebouwen veelal bedompte ruimten waren, die de naam klaslokaal niet waard waren. Juist op dit punt was Martens kritisch. Hij schreef menige brief naar grietenijbestuurders, waarin hij erop wees dat hun school onvoldoende lichtinval had, te weinig mogelijkheden tot luchtverversing bood of te klein was in verhouding tot het aantal leerlingen.

Schrijverschap
Martens nam zijn taak als schoolopziener hoog op. Dat blijkt ook uit vertaling van met name Duitse boeken die hij voor onderwijzers belangrijk vond. Een ervan was Zielleer voor kinderen van August D.H.Siebeck, directeur van een instituut voor onderwijs. Hij bewerkte het bovendien voor toepassing op Nederlandse scholen en besprak het in zijn onderwijsgezelschappen. Martens had grote waardering voor geestverwanten in Duitsland; dat land typeerde hij zelfs als 'de moeder der verbetering'. Hij verdiepte zich in de werken van Duitse verlichtingspedagogen als de filantropijnen, Von Rochow en Pestalozzi. Zij hebben zich ingezet voor de verbreiding van kennis en deugd door middel van onderwijs van de volksklasse. Martens was iemand die zich inspande de Duitse verlichtingspedagogiek in Nederland te introduceren. Hij vertaalde maar liefst veertig boeken van bijvoorbeeld Jacob Glatz, August W. Zachariae, Johann A.C. Löhr en Johann H. D. Zschokke. De laatste werkte in Zwitserland met Pestalozzi samen aan diverse onderwijsprojecten. Martens maakte zich in titels bekend door de toevoeging 'door den schoolopziener M.M.'. Onder die vertaalde werken bevonden zich ook kinder- en schoolboeken, die zich onderscheidden van andere leesboeken door de speelse teksten, het achterwege blijven van een nadrukkelijk moraliserend toontje en het werken met illustraties. Een ervan was Zoo gaat het in de kinderwereld! Een geschenk voor deugdlievende en naarstige leerlingen van Löhr, een boekje dat bijvoorbeeld in 1831 op een Haagse Nutsschool als prijsgeschenk dienst deed. Het thema van zedelijke opvoeding liep als een rode draad door Martens' vertaalde boeken.
In lijn met de opvattingen van Duitse pedagogen was Martens pleitbezorger van een taakuitbreiding van de school. Aan het einde van zijn loopbaan schreef hij: 'Hoe gemakkelijk kan hier de verwaarloosde huiselijke opvoeding verholpen worden, wanneer het den onderwijzer niet aan opvoeding, belangstelling en bekwaamheid ontbreekt?' Eerder lanceerde hij een soort credo: de school diende 'om kinderlijke liefde in de harten der jeugd, vaderlijke minzaamheid in de gemoederen der onderwijzeren aan te kweeken en zowel de ontwikkeling der verstandelijke vermogens als de beschaving van het hart aan de onfeilbare wetten van eenvoudigheid, redelijkheid, orde, verscheidenheid en liefde te verbinden.'
Daarnaast was Martens actief in het vakblad voor onderwijzers, de zogenaamde Bijdragen betrekkelijk den staat en de verbetering van het schoolwezen, die sinds 1806 maandelijks verschenen en waarvoor de minister verantwoordelijk was. Vele artikelen daarin zijn van zijn hand.

Op de bres voor onderwijzers en de kwaliteit van het onderwijs
Martens kwam regelmatig op voor de belangen van onderwijzers. Hij onderhandelde met plaatselijke overheden over hogere salarissen; in zijn ogen waren die ver beneden de maat. Onderwijzers moesten het hoofd boven water zien te houden door neventaken als koster, voorzanger of organist. Ook uit het geven van avondlessen had hij bijverdienste. Daarnaast moest hij schoolgeld innen, hetgeen Martens een doorn in het oog was. Dat leidde namelijk tot 'onvriendelijke ontmoetingen en ruwe bejegeningen' en stond de verdere professionalisering van de onderwijzer in de weg. Martens bracht gedetailleerde ideeën naar voren over de tarieven van een schoolbelasting voor iedereen, ongeacht of men kinderen op school had, en over wijze van inning ervan. Daarnaast pleitte hij voor een pensioenregeling. Met vreugde schreef hij in een verslag dat 'den welverdienende 83jarige Stephanus Rosier' door de gemeente Hantum een pensioen van tweehonderd gulden 'ad Vitam' kreeg toegekend: 'Zulk een edel gedrag verdient vermelding en in soortgelijke gevallen navolging'.
Daarnaast was Martens actief in het verbreiden van de vernieuwingsideeën die aan de onderwijswetgeving ten grondslag lagen. Hij beperkte zich daarbij niet tot onderwijzers. Zo belegde hij in Ferweradeel een bijeenkomst voor de baljuw, gemeentesecretaris, landdrost en onderwijzers over de Algemeene bepalingen nopens het Lager Schoolwezen van zijn Friese collega H.W.C.A. Visser. Hij sprak op die gelegenheid over een weduwefonds ten behoeve van onderwijzersvrouwen, het juiste gebruik van turf op school, het overleg met de plaatselijke predikanten, het tijdstip voor de zondagsschool en de bekostiging van het onderwijs. Martens deed daar ook voorstellen om het schoolverzuim terug te dringen. De onderwijzer zou elke maand een lijst met absente leerlingen bij de baljuw moeten indienen en was verantwoordelijk voor het gedrag van zijn leerlingen 'langs de weg'. Daarnaast lanceerde hij voorstellen tot inhoudelijke verbetering van het onderwijs. Het openingsgebed diende maandelijks vernieuwd te worden. De keuze voor te zingen psalmen en gezangen moest zorgvuldig gebeuren en de inhoud ervan diende aan kinderen eerst te worden uitgelegd. Lichamelijke straffen waren verboden. Ter verbetering van de volksgezondheid voerde hij een pleidooi tegen het toelaten van kinderen op school als ze niet waren ingeënt tegen pokken en voor het ontslaan van schoolmeesters die zich tegen deze vaccinatie verzetten.
Martens zette de puntjes op de i van de onderwijswetgeving. Hij zal er een hele kluif aan hebben gehad zijn scholen op de naleving ervan te controleren. Bovendien was hij verplicht twee maal per jaar de scholen binnen zijn district te bezoeken en toe te zien op bijvoorbeeld de lesroosters, benoemen en functioneren van leerkrachten en wijze van lesgeven. Dit alles was in zijn tijd bijna een onmogelijke taak. De afstanden naar de scholen waren groot en de middelen van vervoer primitief: te voet, per rijtuig of met de (trek)schuit. Eilanden als Ameland of Schiermonnikoog waren lastig bereikbaar. Bovendien waren er vaak problemen op scholen. Hij kreeg te maken met onderwijzers die niet waren opgewassen tegen hun nieuwe taak of zich niet aan de regels hielden. Later toen enkele onderwijzers zich bij de Afgescheidenen aansloten trad hij op tegen het toelaten van ongevaccineerde kinderen, het dreigen met hel en verdoemenis of het toepassen van lichamelijke straffen. Dit laatste speelde bij Reint Taekes Beerda uit Suawoude, die uiteindelijk in 1839 ontslag kreeg aangezegd. Soms waren er onderwijzers 'die zich aan overdrevene begrippen in het godsdienstige overgaven'

Friesland
Friesland heeft veel betekend voor het Nederlandse onderwijs. Invloedrijke schoolopzieners hadden daar hun domicilie. Naast Martens, waren dat de reeds genoemde Visser en Nieuwold, de 'Friese Pestalozzi'. Visser droeg in theoretisch opzicht aan het onderwijs bij en Nieuwold maakte naam als vernieuwer van het leesonderricht. Bij de inwijding in de Grote Kerk te Leeuwarden van een monument voor Nieuwold, waar tweehonderd onderwijzers en 27 gezelschappen aanwezig waren, hield Martens als voorzitter van de provinciale Onderwijscommissie een rede in versvorm. Daarin dichtte hij Nieuwold toe dat hij 'de grondslag legde tot het koningrijk der hemelen in de Nederlandsche scholen'.
Martens had ook specifieke betekenis voor Friesland zelf, en met name voor de liederencultuur. Door hem kwam er veel aandacht voor het zangonderwijs en het zingen. In schooldistricten ontstonden onderwijzerszangverenigingen. Het Nut richtte zangscholen op waar onderwijzers de dirigeerstok hanteerden. Martens introduceerde in zijn gemeenten de bundels Christelijke Gezangen en de zogenaamde Kleine Bundel. Hij liet zijn voorzangers zondags deze nieuwe liederen instuderen. Martens schreef bovendien zelf liedbundels voor de Friese jeugd als Gezangen voor de Vriesche schooljeugd, om gezongen te worden op het dubbel volks-feest van den 17 en 18 november (1821) en Gezangen voor de Vriesche schooljeugd (1822).

Emeritaat
In de laatste jaren van zijn werkzame leven was Martens van weinig betekenis meer. Hoofdinspecteur Wijnbeek schreef over zijn inspectiereis in Friesland in 1837 dat de 'vergevorderde leeftijd' van Martens - hij was toen 64 - een belangrijke beperking vormde voor de inzet van deze schoolopziener. De school in Holwerd was verre van een modelschool, die men toch in de woonplaats van een schoolopziener kon verwachten. Wijnbeek schreef: 'hij schijnt dus niet zo krachtvol aan de schoolverbetering te kunnen arbeiden als weleer'
Bovendien waren nog niet overal armenscholen. Deze ontbrak bijvoorbeeld in Dokkum, hoewel er 120 kinderen daarvoor in aanmerking kwamen. In 1845 kon Wijnbeek tot zijn tevredenheid constateren dat ook in Dokkum honderd kinderen de armenschool bezochten. Wijnbeek noemde Martens toen 'hoogbejaard' en hij vond hem niet langer meer geschikt voor zijn zware taak, waaronder het bezoeken van scholen. Martens was volgens Wijnbeek ook in een ander opzicht minder 'draagkrachtig': ' 's Mans huiselijke toestand grenst aan de behoeftigheid en Gedeputeerde Staten zijn uit meewarigheid huiverig om zijn ontslag te provoceren' Ja, een schoolopziener was voor het leven benoemd en het extra inkomen van zo'n vierhonderd gulden was voor een plattelandsdominee meer dan welkom!
In 1849 ging Martens, na zijn gemeenten ruim vijftig jaar gediend te hebben, met emeritaat en legt hij ook, na een ambtsperiode van 43 jaar, het schoolopzienerschap neer. In zijn in dichtvorm gestelde 'Welkomsgroet' op 11 november 1849 aan zijn opvolger Doede Plantinus zei hij:
'o Zaagt gij kasten vol papier
Door mijne pen beschreven,
Gewijd aan kansel, school en lier,
Gij riept: "De schrijfkunst leve!'
Een kortere samenvatting van zijn leven is niet mogelijk!

Literatuur:
I. van Hoorn (1907). De Nederlandsche schoolwetgeving voor het lager onderwijs, 1796-1907. Groningen: Noordhoff.
S.P Martens & S. Vuyk (2005). 'Ik heb het groote doel mijner Aardsche bestemming bereikt.' De brieven van student Marten Martens (1794-1798) en zijn leven als doopsgezind predikant, schoolopziener, vertaler en dichter in Friesland (1798-1852). Deel IV van de serie Manuscripta Mennonitica (P. Visser, red.). Hilversum: Verloren.
M. Martens (1820): 'Hulde aan de nagedachtenis van den vermaarden schoolhervormer J.A.Nieuwold, bij gelegenheid van de plegtige toewijding van een ter zijner eere in de Groote Kerk der hervormden te Leeuwarden gesticht monument'. Leeuwarden: Brouwer.

Voetnoot:
Nagelaten Gedichten van M.Martens, Predikant te Holwerd, leeuwarden, L.Dykstra, 1854. p. 42.

Referenties

    1. MARTENS, Marten [I1743]